All fields are required.

Close Appointment form

Allergie in uw praktijk

  • Home
  • Allergie in uw praktijk

Soorten allergie

Naar schatting komt bij 10-15% van de honden een vorm van allergie voor. De meest voorkomende vorm van allergie bij de hond is atopische dermatitis: een type I of direct-type overgevoeligheidsreactie op inhalatieallergenen zoals pollen en mijten.

Alle genoemde allergieën bij de hond kunnen qua klinisch beeld enigszins op elkaar lijken. De behandelingen van deze allergieën verschillen echter sterk; daarom dient de juiste diagnose te worden gesteld voordat tot behandeling wordt overgegaan.


Atopie bij de hond

Atopie (allergie) is de belangrijkste vorm van allergie die bij honden voorkomt, 3-15% van de honden heeft last van een atopie1. Het is een erfelijke allergie voor stuifmeel van bloeiende gewassen (zoals grassen, onkruid, bomen), voor huidschilfers van dieren en voor diverse huisstof- en voedermijten. Meestal treden de eerste verschijnselen van atopie al voor de leeftijd van 3 jaar op; vaak zijn de eerste symptomen gering en zijn ze aan de aandacht van de eigenaar ontsnapt omdat de hond goed reageerde op de ingestelde behandeling. Of omdat de symptomen alleen tijdens bepaalde periodes van het jaar voorkwamen (bijvoorbeeld in het geval van stuifmeel). Atopie komt meer dan gemiddeld voor bij de volgende rassen: Lasa Apso, Schnauzer, Duitse Herder, Boxer, Labrador, Golden Retriever, Poedel, West Highland White, Cairn, Jack Russel en Foxterriër2

1 Hillier, et al. Vet. Immunol. Path. 81 (2001) 147-15
2 Sousa, et al. Vet Immunol. Path. 81 (2001) 153-157

Klinische verschijnselen atopie

Pruritus (jeuk) zonder zichtbare huidafwijkingen, is het belangrijkste symptoom bij de hond. Deze komt veelal tot uiting als frequent likken of bijten aan de ondervoeten en het met de kop langs de vloer of objecten wrijven. Bij 60-70% van de patiënten worden zichtbare afwijkingen aan kop of extremiteiten waargenomen. Recidiverende oorontstekingen worden voor meer dan 75% veroorzaakt door een atopie1.

1 Paterson S – A review of 200 cases of otitisexterna in the dog. Veterinary Dermatology 14 (2003) 237-267

Bij een deel van de patiënten wordt tevens niezen, een verkleuring van de vacht (gevolg van likken) en/of een tweezijdige oogontsteking waargenomen. Afhankelijk van de duur en ernst van de aandoening kunnen de laesies variëren van erytheem (roodheid) tot hyperkeratose (verhoorning) en/of lichenificatie (verdikking) van de huid. Daarnaast kunnen ook andere delen van de huid afwijkende symptomen vertonen.

Secundaire verschijnselen

Bij atopie worden regelmatig een seborroe sicca (droge vorm van overmatige afscheiding van talg vermengd met huidschilfers) en oppervlakkige pyodermie (huidontsteking) door een bacteriële (Staphylococcus aureus of –intermedius) of gist (Malassezia) infectie gezien. Als patiënten voor atopie worden behandeld, dient tevens behandeling tegen seborroe en/of pyodermie plaats te vinden.

Diagnose atopie

Bij de diagnostiek van atopie is een systematisch afgenomen anamnese, evenals een goede verslaglegging van de tijdens het hele onderzoek verkregen gegevens, van groot belang.

Bij de anamnese zijn de volgende punten van belang:

  • Aanvangsleeftijd: bij 75% van de atopie-patiënten treden de eerste verschijnselen al op tussen de 1 en 3 jaar, sporadisch kan dit bij dieren beneden de 6 maanden het geval zijn. Vaak zijn de eerste symptomen de eigenaar ontgaan ook al omdat na medicatie een snelle respons optrad, of een spontaan herstel is opgetreden bij de wisseling van seizoenen of verandering van omgevingsfactoren.
  • Raspredispositie: de aandoening wordt vaker dan gemiddeld waargenomen bij Lasa Apso, Schnauzers, Poedels, Terriërs (West Highland White, Cairn, Jack Russel en Foxterriër), Dalmatische hond, Duitse Herder, Boxer en Retriever (Golden, Labrador)1.
  • Seizoensgebonden: bij pollenallergie zijn de symptomen in de beginfase meestal seizoensgebonden. Naarmate de atopie echter langer duurt, kunnen de verschijnselen zich het hele jaar door gaan vertonen. Allergenen als de huisstofmijt en kattenepitheel daarentegen, kunnen het gehele jaar aanleiding geven tot het optreden van atopie.

Uiteraard dienen tijdens de anamnese ook vragen te worden gesteld over de ligplaats (vloerbedekking, kussens dekens etc., i.v.m. contactdermatitis), het voer (voedselallergie), de aanwezigheid van andere dieren (atopie op basis van dierepitheel) en de vegetatie in en rond het huis. Ook het effect van eerder ingestelde behandelingen kan waardevolle informatie opleveren.

1 Sousa, et al. Vet Immunol. Path. 81 (2001) 153-157

Aanvullend onderzoek

Microscopisch onderzoek van huidafkrabsels en schimmel- en bacteriekweken dienen plaats te vinden om ecto-parasitaire en infectieuze oorzaken van huidaandoeningen uit te sluiten. Een eliminatie-dieet (hypoallergeen dieet) gevolgd door een provocatie-dieet kan informatie verschaffen over het voorkomen van een voedingsallergie.

Differentieel-diagnose

Differentieel-diagnostisch zijn de volgende aandoeningen van belang: demodicosis, dermatophytose, voedingsallergie, idiopathische pododermatitis en trombiculosis (oogstmijten). Als deze onderzoeken negatief zijn (andere oorzaken uitsluiten), is de waarschijnlijkheids-diagnose atopie en is aanvullend onderzoek in de vorm van allergietesten aangewezen.

Nadat via anamnese, klinisch onderzoek en allergietesten is vastgesteld dat er sprake is van atopie en andere oorzaken zijn uitgesloten, kan een aantal behandelingsmogelijkheden worden overwogen.

Eliminatie van allergenen

Met het elimineren van allergenen wordt bedoeld, dat het contact met de allergenen volledig wordt vermeden. Deze methode leidt het snelst tot resultaat, maar zal vaak niet mogelijk zijn; zeker als er sprake is van overgevoeligheid voor meerdere antigenen of van bijvoorbeeld een overgevoeligheid voor gras en/of boompollen of huisstofmijt.

Symptomatische behandeling

Symptomatische medicatie verlicht redelijk snel de allergische klachten waarvan de patient last heeft, maar voor een beperkte tijdsduur. Helaas vertonen de meeste symptomatica nogal wat nadelen, zeker als ze – zoals bij atopie – in principe levenslang moeten worden toegediend. Daarom is het verstandig deze medicijnen slechts gedurende een korte tijd te geven.

Corticosteroïden, cyclosporinen of antihistaminica

Antihistaminica hebben een geringe werkzaamheid bij honden (10-15% effectiviteit). Een behandeling met corticosteroïden en cyclosporine is heel geschikt om de allergie te onderdrukken. Helaas vertonen ontstekingsremmers nogal wat nadelen, zeker als ze – zoals bij atopie – in principe levenslang moeten worden toegediend.

Deze therapie verdient wel de voorkeur bij de volgende categorieën patiënten:

  • Seizoengebonden atopie gedurende enkele maanden per jaar.
  • Dieren verdacht van atopie, maar waarbij de oorzakelijke allergenen niet te identificeren zijn (intrinsieke atopische dermatitis).
Essentiële vetzuren

Het verstrekken van essentiële vetzuren zoals omega 3 en omega 6 vetzuren over het voeder leidt in circa 10% van de gevallen tot een positief resultaat.

Allergeen-specifieke immunotherapie (Artuvetrin® Therapie)

Hierbij wordt getracht de patiënt tolerant te maken voor de causale allergenen, door het dier hiermee te injecteren in toenemende doseringen en in steeds langere intervallen. Allergeenspecifieke immunotherapie (hyposensibilisatie) wordt nodig geacht bij honden die tenminste 3 maanden per jaar atopische verschijnselen vertonen. De eigenaar dient zich te realiseren dat ook dit een levenslange behandeling betreft, waarbij geen volledige genezing optreedt, maar de aandoening onder controle wordt gehouden..

Resultaten

De resultaten van allergeenspecifieke immunotherapie: bij 75% van de behandelde dieren treedt in de tijd een significante verbetering (>50%) van het klinisch beeld op; hierbij wordt er vanuit gegaan dat tegelijkertijd een aanwezige pyodermie (huidontsteking) en/of seborroe (droge vorm van overmatige afscheiding van talg vermengd met huidschilfers) wordt behandeld1
In principe is er geen beperking aan het aantal allergenen dat kan worden opgenomen in de allergeenspecifieke immunotherapie.
Het aantal allergenen heeft ook geen invloed op de effectiviteit van de allergeen specifieke immunotherapie.

1 Willemse. Tijdschr. Diergeneesk. Deel 129 (2004) 402-408